26 maart 2019

Een aanvrager mag kiezen of een aanvraag om een omgevingsvergunning mede betrekking heeft op handelingen waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is. Loskoppelen van beide vergunningentrajecten mag, zolang deze keuze is gemaakt vóór indiening van de aanvraag om de omgevingsvergunning. Anders geldt de aanhaakplicht (artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht). Volgens een recente uitspraak van de Raad van State mag nadien ook worden losgekoppeld, wanneer de aanvraag op dit onderdeel wordt ingetrokken en een aparte ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is aangevraagd.

De aanhaakplicht was voorheen geregeld in artikel 75c, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Wanneer de aanvraag om een omgevingsvergunning mede handelingen bevat waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is (zoals in dit geval de exploitatie van een windpark) en dus de aanhaakplicht geldt, is een verklaring van geen bedenkingen nodig als bedoeld in artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 

Uit een uitspraak van de Raad van State van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:803) kan worden afgeleid dat de toestemming voor het uitvoeren van  handelingen waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is, kan worden "afgehaakt", wanneer alsnog een aparte ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is aangevraagd en de aanvraag om een omgevingsvergunning in zoverre wordt ingetrokken. Vanaf dat moment valt een ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning niet meer onder artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht en hoeft niet meer te worden aangehaakt. De keuze is aan de aanvrager. De integrale beoordeling van een initiatief via één aanvraag (aanhaken) lijkt voor een aanvrager prettig, maar leidt in de praktijk vaak tot vertraging in de besluitvorming.

Ton Brouwer, Rechtsom Juristen B.V.
+31(0)6 435 538 75